Column | Mijn strijd tegen racisme

Roshano Dewnarain in actie tegen racisme op de Grote Markt in Groningen

De verkiezingen zijn inmiddels ruim een maand geleden, evenals de internationale dag tegen racisme. Hoewel racisme tegenwoordig vaker onder de aandacht wordt gebracht door onderdrukte groepen, is het probleem nog lang niet opgelost. Roshano Dewnarain uit Hoogezand en student in Stad deelt zijn ervaringen en overdenkingen rond racisme.

Volgens artikel 1 van de grondwet zijn we allemaal gelijkwaardig en hebben we dezelfde rechten. Waarom ervaren zoveel anderen en ik dat dan niet zo? Uitsluitingsmechanismen op racistische gronden worden vaak niet begrepen. Mensen van kleur wordt verweten dat ze in een slachtofferrol kruipen. Toch is racisme er wel, ook in Groningen. Bij deze daarom een aantal momenten uit mijn leven waarin sprake was van racisme en wat dat met mij doet.

Een grote klap

De afgelopen verkiezingsuitslag was voor mij een grote klap. Een racistisch toeslagenschandaal bleek niets te hebben gedaan met de stemkeuze van veel Nederlanders. Daarnaast heeft extreemrechts inmiddels meer zetels dan klassiek links bij elkaar. Alle moeite die ik ooit in mijn strijd tegen racisme heb gestoken, voelde even voor niets. Ik kreeg pas weer hoop toen ik hoorde dat BIJ1 een zetel wist te bemachtigen. Voor mij een signaal dat een groot deel van Nederland toch klaar is voor radicale gelijkheid. Mijn hoop zit ook in de diversiteit die de kamer nu rijk is. Diversiteit is namelijk van levensbelang voor een gezonde democratie.

Hoewel ik het mij niet kan herinneren, begonnen mijn eerste ervaringen met racisme al bij mijn geboorte. Dat geldt nu nog steeds voor haast iedere persoon van kleur in Noord-Nederland. Zo was ik als jongen met Indiase wortels in een wereld met westerse standaarden altijd te klein. Een groeicurve voor pasgeborenen met wortels in Aziatische landen is er echter wél. In de Randstad wordt deze gebruikt. Waarom in Groningen niet?

Racisme is niet altijd zo subtiel als in het voorbeeld hierboven. Hoe ouder ik werd, hoe meer ik te maken kreeg met uitgesprokener vormen ervan. Het begon op de basisschool waar ik – hoewel ik goede cijfers haalde – geen onderdeel mocht zijn van het groepje ‘slimme’ witte kinderen. In een klas met veel diversiteit, waarin ruim de helft van mijn klasgenoten een migratieachtergrond had, was het opvallend dat alleen witte kinderen in het groepje zaten dat extra uitdaging en kansen kreeg.

Kansen ontbreken

Vanaf groep 8 geef ik studiebegeleiding en dat doe ik nog steeds. Ik begeleid veel kinderen met een migratieachtergrond en ook hier merk ik dat de kansen die ik eerder benoemde, vaak ontbreken. Het doet mij pijn om te zien dat het institutioneel benadelen van gekleurde leerlingen nog steeds niet veranderd is. Het gaat niet alleen om een advies, het gaat er vooral om hoe kinderen zich voelen.

Ik had altijd het gevoel dat ik mij drie keer moest bewijzen om erkend te worden, waar andere niet-gekleurde kinderen dit maar één keer hoefden te doen. Dat de kinderen die ik nu begeleid het gevoel van prestatiedruk dat ik voelde ook omschrijven, bevestigt bij mij dat er sprake is van een structureel probleem. Sterker nog, het begon mij op te vallen dat kinderen met een migratieachtergrond veel vaker onterecht een lager advies krijgen dan witte kinderen. De onderliggende gedachte van de docent: dat het kind thuis onvoldoende goede ondersteuning zou kunnen krijgen of betalen. Absurd. En zonder kans op goede scholing blijven kinderen in een vicieuze cirkel van institutioneel racisme zitten.

Het was tijd voor de middelbare school. Mijn ouders waren bang dat ik mijn tussenuren in winkelcentrum de Hooge Meeren zou doorbrengen en gaven me duidelijk mee dat ik op school moest blijven. Pas later begreep ik waarom: als kind maakten zij mee hoe zij in een groepje met witte kinderen altijd werden aangestaard en als eerste (vaak onterecht) de schuld kregen als het groepje voor onrust zorgde. Ze wilden niet dat ik iets soortgelijks zou meemaken. Toen ik tóch besloot om eens met mijn klasgenoten mee te gaan naar het winkelcentrum, was het direct raak. Ik dacht dat de ervaringen van mijn ouders niet meer van deze tijd waren. Toch werd ik van alle kanten in de gaten gehouden en aangesproken. Mijn witte vrienden niet. Toen er per ongeluk een pak toiletpapier werd omgestoten, was ik degene die werd aangesproken. Ook mijn vrienden waren stomverbaasd toen ik de schuld kreeg voor iets wat ik niet had gedaan.

Ongelijkheid zó vanzelfsprekend

Nu is het genoeg, dacht ik. Ik wil niet in een wereld leven vol sociaal onrecht. Ik ging de politiek in om te pleiten voor gelijkwaardigheid. Voor mij was dat ideaal zo vanzelfsprekend, dat ik er nachten van wakker lag toen ik ontdekte dat niet iedereen dit ideaal deelde. Zelfs bij mijn politieke medestanders bleek dat uitsluitingsmechanismen niet goed begrepen worden. Sommigen doen zelfs (bewust) mee aan deze uitsluiting. Des te dieper ik in de dossiers dook, des te meer mij opviel dat het juist ongelijkheid was wat zo vanzelfsprekend is.

Om ongelijkheid op te lossen, is het nodig naar het grotere geheel te kijken. Alle verschillende domeinen zijn met elkaar verbonden via die ene factor: systematische uitsluiting. Zo kun je de wooncrisis niet los zien van de klimaatcrisis. En ook de jeugdzorgproblematiek niet los van racisme. Een gezin met een migratieachtergrond zal zich bijvoorbeeld eerder in geldnood bevinden, daardoor slechts in een gebrekkig huis kunnen wonen, waardoor bijvoorbeeld de gezondheidsproblematiek als gevolg van de klimaatcrisis dit gezin als eerste treft. Toch wordt deze intersectionele kijk op de gemeentepolitiek niet toegepast, waardoor sociale ongelijkheid vrij spel krijgt. Zo vreemd is dat ook niet: ervaringsdeskundigen en mensen met een niet-Nederlandse achtergrond zijn in de raad haast niet te bekennen. Er is nog veel om voor te vechten.

Studeren is een privilege

Inmiddels studeer ik, geneeskunde en filosofie, en opnieuw ervaar ik het gevoel van uitsluiting. De prestatiedruk die ik eerder beschreef, is nu groter dan ooit. Het afgelopen jaar ben ik alleen witte medestudenten tegengekomen. Ik voel me daardoor enigszins alleen. En ik vind het moeilijk om te geloven dat, van alle kinderen met een migratieachtergrond in het Noorden, ik een van de weinigen ben die de potentie heeft om te studeren. Toch is studeren een privilege voor over het algemeen witte kinderen met voldoende financiële middelen.

Het onderscheid tussen mijn medestudenten en mij wordt alleen maar verscherpt, wanneer mij wordt gevraagd waarom ik ‘niet gewoon Piet’ kan heten. Of wanneer vaker wordt gevraagd wat mijn roots zijn dan mijn hobby’s of interesses. Het is niet dat ik boos word van deze vormen van impliciet racisme, maar het raakt me wel.

Van racisme in het dagelijks leven ben ik helaas nog lang niet af. Ik heb het bijvoorbeeld nog niet eens gehad over de verschrikkelijke dingen die mensen naar mij roepen op straat. Van ‘kutallochtoon’ tot ‘jij hoort hier niet te zijn’, ik kan ze allemaal afvinken. En ik ben klaar met racisme.

We’re in this together

De Tweede Kamer is nu dan wel een stukje diverser, in de gemeentepolitiek wil die diversiteit maar moeilijk lukken. Het is daarom tijd ons samen sterk te maken tegen iedere vorm van sociaal onrecht. Dat begint bij een open houding: durf vragen te stellen op een respectvolle manier en sta open om te leren. Laat van je horen door je aan te sluiten bij een mensenrechtenorganisatie of politieke partij. En het belangrijkse: sta op en spreek je uit wanneer iemand gediscrimineerd wordt. Zo werken we samen aan een inclusievere gemeente. We’re all in this together. 

Geschreven door Roshano Dewnarain (18) – foto van Annegriet Renfurm-Wijchers

Psst, hier meer afleiding: