Column | We moeten voorkomen dat een kleine groep radicalen de maatschappij in gijzeling neemt

Een aanslag. Poging tot moord. Brandbommen door het raam naar binnen gegooid. In het huis waar vriendin en ik slapen, waar onze geliefde kat woont, dat dicht op de huizen van buren staat. Het is surreëel om te lezen. Om te beseffen. En het is moeilijk te overzien wat dit allemaal losmaakt. Maar één ding is me al wel duidelijk geworden. En daar wil ik het eem over hebben.

Traditionele media, waar Sikkom – dat net acht jaar bestaat – volgens velen ook onder valt, worden door bepaalde groeperingen weggezet als onbetrouwbaar. Als de propagandalakeien van Soros, Gates, de Rockefellers en Rutte. Alles wat kranten schrijven en NOS uitzendt, is gestuurd, of op zijn minst gecontroleerd door de elite. Van vrije pers is volgens deze groep al lang geen sprake meer. Integendeel. Journalisten van mainstraim media zijn leugenaars en vijanden van de waarheid en daarmee ‘het volk’ omdat ze als makke schapen publiceren wat de elite wil. Het volk een loer draaien, anders zwaait er wat.

Journalistieke ervaringen met de overheid

Ik werk nu acht jaar als journalist. Nog nooit ben ik door een hogere macht gestuurd. Sterker, ik denk dat ik regelmatig de luis in de pels ben geweest van de staat. Van de verhalen over de onveilige school in Bedum tot de publicaties over huisjesmelkers, ze maken stuk voor stuk duidelijk dat de overheid op die gebieden faalt. Dat pen ik niet om mezelf een veer in de reet te steken. Wel om duidelijk te maken dat ik de overheid, zoals de journalistiek betaamt, met een gezonde dosis kritiek onder de loep neem. Want het is niet de overheid die ik dien, ik dien de waarheid – hoe klein en hyperlokaal ook – waar de mensen recht op hebben, omdat het hen aangaat.

De vele keren dat mijn publicaties onwelgevallig zijn voor de overheid valt één ding op: de relatie met de woordvoerders, politici en bestuurders blijft prima (behalve de PVV in Stad). Zij weten dat kritiek erbij hoort. Zij beseffen dat (lokale) journalistiek belangrijk is om het stadhuis of Den Haag te controleren. Nooit wordt er vanuit die kant druk uitgeoefend om iets wel of niet te publiceren. Nimmer ervaar ik dreigementen, intimidaties of chantage als ik iets pen dat de overheid niet goed uitkomt omdat duidelijk wordt dat er geblunderd wordt en actie noodzakelijk is. Laat staan dat er een aanslag op mijn leven en dat van mijn partner wordt gepleegd.

Zoveelste wake-up call

Niet alle corona-critici zijn complotdenkers. Niet alle complotdenkers zijn radicalen. Niet alle radicalen gaan over tot geweld. Maar het is wel verdomd opmerkelijk dat een groot gevaar voor de vrije pers juist uit de hoek komt waar ze het hardst schreeuwen dat de pers niet vrij is. Vanuit die hoek ontvang ik, net als vele collega’s, al jaren dreigementen, scheldpartijen en intimidaties. In die hoek wordt de aanslag soms bejubeld, regelmatig goedgekeurd en vaak gerechtvaardigd onder het mom ‘ik ben tegen geweld, maar…’. En uit die hoek lijkt, getuige het verhaal van Bas van Sluis in Dagblad van het Noorden, de aanslag te komen. Veel ironischer wordt ironie niet.

Hoewel, ironisch? Dat heeft iets grappigs. Een aanslag op mensenlevens is niet grappig. Pogingen om met geweld, intimidatie en dreigementen de vrije pers het zwijgen op te leggen net zomin. Integendeel, het is het zoveelste teken dat de samenleving in gijzeling wordt genomen door een kleine minderheid. Daar moeten we wat mee doen, voor het verder uit de klauwen loopt. Geen idee wat de oplossing is. Wel weet ik dat dit een probleem van de hele maatschappij is. Van journalisten, politici, agenten, artsen en wetenschappers die het slachtoffer worden van het terreurbewind. En van de zwijgende meerderheid, die met lede ogen aanschouwt hoe een kleine groep de hakbijl zet in de pijlers van de democratie.

Psst, hier meer afleiding: