Kruimels in de besteklade en de grillige ongelijkheid des levens

In het hart van het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis staat een doodgewone kantine. Met saucijzenbroodjes, kassajuf en zweterige boterkoeken. Het is er volstrekt normaal, als je de sfeer buiten beschouwing laat.

De man voor me hangt een zakje haribo aan zijn zuurstofkarretje. De vrouw daarna trapt in de misleidende meepikker bij de balie. “Één euro voor zo’n lange Snickers; dat is ook niks!” denk ik met haar mee. Ik neem er twee, want zolang je je bewust om de tuin laat leiden, is dat de helft zo erg.

Kneus

Bij de uitgang zijn er nog drie artikelen waarvoor je opnieuw in de rij moet staan, omdat je ze alleen in speciale gevallen koopt. Ik sluit aan met een grote, rode heliumballon. De kleinen waren de helft goedkoper, maar als je het leven wilt vieren, kun je dat niet gematigd doen, dacht ik zo.

Pas in de koffiehoek kom ik erachter hoe misplaatst dit product is. Van bovenaf zie ik mezelf zitten met mijn feestelijke reuzensmartie. Wat ben ik toch een kneus. Vijftig zitjes vol verdrietige mensen, zelfs velen zonder haar, maar tafel 36 moest vandaag zo nodig haar geluk adverteren. Dames en heren, in het kansspel van het leven won deze familie: gezondheid!

Met spuug in de handdruk

Maar misgunnen lijkt binnen deze muren niet te bestaan. Er heerst eerder een bijzondere warmte tussen de zitjes. Een stemming van saamhorigheid – alsof een gezamenlijke vijand verbindt. Een vrouw met een mutsje steekt haar duim naar ons op. Een paar anderen lachen voorzichtig, maar vertederend. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar het lijkt wel één grote kankerfamilie.

In de wachtkamer voor de laatste bestraling komen alle dokters en zusters naar buiten waarvan m’n broertje de afgelopen maanden het hart heeft gestolen. Iedereen gaat hem missen, maar wil hem nooit meer zien.

Ik voel veel voor een Drentse belofte – met spuug in de handdruk – maar weet met diezelfde wortels dat niemand een program’ van het concert des levens heeft. Toch zie ik dat hun toewijding veel verder gaat dan enkel inspanning. Ze willen hem écht nooit meer zien.

Vetorecht

Als hij binnen is, komt er een nieuwe patiënt de wachtkamer ingerold. Een markante man met zo’n fit uiterlijk dat het me niets zou verbazen als hij zich zou bedenken en die rolstoel aan zijn biceps terug naar buiten zou tillen. Maar hij blijft op zijn plek, in een vreemde staat van verbijstering.

“Ik ga binnen twee maanden dood”, begint hij vragend, alsof hij hoopt dat iemand in de wachtkamer zich beroept op het vetorecht. Ik weet niet wat ik moet zeggen, met die opgeblazen smiley om mijn pols geknoopt. Maar als de meeste stemmen gelden, zou ik hem al mijn jokers geven. Zo erg is deze man er niet aan toe om dood te gaan.

Verbazing

“Ik ben gisteren teruggevlogen uit Zuid-Afrika”, gaat hij verder. “Mijn blessure bleek toch geen blessure te zijn?” Weer een vraag. Moet ik nu antwoorden? Ik knipper wat met mijn ogen, maar alle feeën hebben het druk. En wat moet je met God als de hoop verdwenen is? Deze mogelijke wereld werd nooit besproken. Er was altijd hoop op de zondagsschool.

Maar als ik hem zo aankijk, besef ik dat er zonder hoop enkel verbazing overblijft. Absurdistische verbazing. Bij hem, maar ook bij mij. Want hoe moet je je schaarse tijd indelen met nog maar 1488 resterende uren? Als een omgekeerde sinterklaaskalender, waar je elke dag een mijtertje afscheurt? En wat moet je met de nacht? Zijn er niet veel teveel kostbare uren te verliezen in je slaap?

Kruimels in de besteklade

Terwijl ik sympathie ontwikkel voor zijn favoriete leesteken, bereikt mijn absurdisme het detailniveau. Want terwijl hij daar zit dood te gaan, denk ik alleen maar aan de kruimels in zijn besteklade. Ja, echt; op de een of andere manier maakt het me heel verdrietig dat hij zijn besteklade nooit meer gaat schoonmaken.

Het is zo’n handeling die je nooit meer uitvoert als je dagen geteld zijn. Je haalt misschien nog een keer of drie een doekje over het aanrecht, maar de besteklade is niet meer relevant in het leven van een sterveling.

Grillige ongelijkheid

Ik heb altijd al een voorliefde gehad voor verwaarloosbare, praktische taken. Er leeft schoonheid in het onnozele. Want als de onbeduidendheid je om de oren vliegt, ervaar je een helder contrast met alles wat waarde heeft. Alsof je pas kunt overdenken wat er ook alweer toe doet als je geplette zoetjes tussen de theelepels vandaan pulkt. Een reset van de geest op microniveau.

Als mijn broertje met een schoon lijf naar buiten komt, bedenk ik me dat dit wel het macroniveau zal zijn. Zijn volle gezondheid steekt af tegen het bestralingsharnas onder zijn arm, dat we in elkaar gaan slaan of in het paasvuur zullen gooien.

Ik kijk van mijn sterke broertje naar mijn verbaasde, stervende vriend. Wij gaan naar huis, hij probeert er nog wat uurtjes bij te snoepen. Het is een grillige ongelijkheid. We geven elkaar een hand, terwijl de ballon wat ongelukkig heen en weer deinst. Nog ongelukkiger is mijn “tot ziens.”

Uitzwaaien

“Heb een fijn leven?!” Roept hij ons na. Ik heb nog vaak aan hem gedacht, maar vandaag in het bijzonder. Bij een hap vla, met een krummel uit de Renaissance onder mijn lepel geplakt. De regel is: als de kruimels gaan aankoeken, dan is het tijd.

De grote theedoek komt op tafel. Vorken, kaasschaven – alles eruit. De vaatdoek door de bakjes. Maar boven de prullenbak bedenk ik me, net op tijd. Op mijn sokken loop ik naar de Van Brakelvijver, mijn handen om de doek met kruimels. En daar klop ik ‘m uit, als een doodnormale huisvrouw. Maar ik heb hem stiekem vaarwel gezwaaid.

Ga het gesprek aan ( comments)