Leven als zwerver in 050: De blik omlaag gericht

Bas van Sluis zwerver 1

Een week lang leven als zwerver in Groningen. De stad op een andere manier leren kennen, zonder het comfort van warmte en zekerheid.

Onderzoeksjournalist Bas van Sluis (1982) leefde een aantal jaar geleden een week als zwerver en schreef een verhaal voor Dagblad van het Noorden. Omdat goede verhalen tijdloos zijn, publiceren we met liefde nogmaals zijn verhaal: De blik omlaag gericht.

De blik omlaag gericht

“He gozer. Hier moet je niet zitten. Echt niet jongen. Het is veel te koud, man. Hier ga je hartstikke dood. Dat red je niet. Ga maar met mij mee. Ik zorg wel voor je.”

Met bezorgde blik gaat hij in zijn vieze witte jas naast mij zitten. Onder het viaduct, waar ik zat te rusten en een sigaret te roken. Hij praat aan een stuk door en maakt driftige gebaren.

Hij is een zwerver. Een echte. Ik vraag hem of hij iets wil roken. Dat wil hij dolgraag, want het is al een tijdje geleden. “Ik heb een betere plek voor je om te liggen. Veel warmer. En dan liggen we tenminste droog. Ik heb nog ergens een matras liggen en wat kartonnen dozen en dan gaan we op mijn plek liggen. Saampjes. Oké?”

“Ik help je gewoon. Dat moet op straat

Oké. Na tien minuten praten gaan we op pad. “Ik help je gewoon. Dat moet op de straat. Ik heb niks tegen je, maar ik heb ook niks met je”, waarschuwt hij. “Maar waar je net zat, daar ga je dood.”

De man ratelt maar door terwijl wij lopen. Het is eind november en het weer is bijzonder slecht: hagel, regen en sneeuw. Het deert hem niet. Hij wil alleen weten wat mijn verhaal is en vertelt dat hij al tien jaar zwerft. Voornamelijk in de buitenlucht.

Waarom hij niet vaak in de opvanghuizen is te vinden, wil hij niet vertellen. Ik vind het allang goed. “Ik heb nog ergens een matras liggen en die snijden we in tweeën. Kunnen we allebei op een stuk liggen. Oké?”

Vijf euro op zak en goedkope shag

Slechts enkele uren daarvoor begon mijn onderneming om een week lang op straat te leven als dakloze in de stad Groningen. Met maar vijf euro op zak, een boodschappentas met fleecedeken en goedkope shag trek ik de deur van mijn huis achter mij dicht. De week daarvoor heb ik constant dezelfde kleren gedragen en me niet gewassen.

Om te kijken hoe mensen reageren op een ongewassen figuur met vieze tas besluit ik maar wat door de stad te lopen. De tocht begint bij het Hoofdstation en ik loop richting centrum. Onderweg kom ik twee schreeuwende zwervers tegen. Elk een blik bier in de hand. Ze krijgen mij in het vizier en hebben direct door dat ik wel eens een soortgenoot kan zijn. Stoïcijns loop ik door.

Heeft u misschien een euro?

Mensen kijken niet op of om. Ze hebben me zeker wel in de gaten, want als het kan lopen ze met een boog om mij heen. Voor mij is het erg onwennig. Durf eigenlijk nog niet iemand aan te spreken en geld te vragen.

Steeds als ik mij voorneem om iemand aan te spreken, begint mijn hart zo snel te kloppen dat ik het niet doe. Bij de Hooge der Aa komt een keurige mevrouw in mijn richting lopen. Ze heeft grijs steil haar en nette kleren aan. Ze ziet me al aankomen en zet zich schrap.

Heel schuchter vraag ik: “Mevrouw, heeft u misschien een euro voor mij?” Haar ogen worden groter. Ze schrikt. Zonder ook maar iets te zeggen slaat ze de blik omlaag en loopt langs mij heen. Mislukt. Mijn hart klopt in mijn keel.

Doodvriezen

Even later heb ik geluk. Op het station staat een meisje dat me zonder te aarzelen twintig eurocent geeft. Niet veel, maar ik ben zo blij als een kind. Ze is zo gehaast dat ik haar niet eens kan bedanken.

Nog blij van mijn eerste overwinning besluit ik onder een brug bij de Parkweg een sigaret te roken. Een slaapplek heb ik nog niet, hoewel ik er onderweg wel wat heb gezien. En dan kom ik de 38-jarige Gert tegen.

De man die al tien jaar op straat leeft en zegt dat ik niet onder het viaduct moet gaan zitten omdat ik dan dood vries. Hij wil me helpen. Terwijl we door het Stadspark lopen, zeg ik tegen Gert dat ik het zo ontzettend tof van hem vind dat hij me wil helpen.

Bas van Sluis zwerver 7

karma

Vooral omdat ik nog niet zo lang dakloos ben. Hij knikt: “Zo hoort het gewoon. Ik weet zeker dat deze goede daad uiteindelijk weer bij mij terug komt. Dat weet ik zeker. Ik hoef er niks voor terug hoor. Maar heb je toevallig 50 cent?” Hij krijgt twee euro. “We gaan naar de supermarkt. Bier kopen.”

Met z’n tweeën lopen we de Coop binnen vlakbij de spoorovergang. Het valt me op dat de mensen in de winkel ons vreemd aankijken. Voor mij is het onwennig, maar hem deert het niet. Hij blijft staan bij de kratten Jupiler- en Amstelbier. “Nee, dit is te duur.” Even later liggen er drie – twee voor hem, een voor mij – flesjes Pitt-bier in het mandje.

We gaan op pad om het matras te halen. Dat ligt ergens een kilometer verderop verstopt bij een elektriciteitshuisje. Door het slechte weer liggen er allemaal sneeuw, bladeren en andere modder op. Het ding is vies en stinkt naar urine.

We liggen onder de ringweg

“Dit wordt ons bed. Als je even helpt, dan slepen we het matras naar ons plekkie.” Even later liggen we er met z’n tweeën op. Gert tovert ergens drie vieze dekens weg en we gaan schouder aan schouder tegen de pilaar aan liggen. De bussen, vrachtauto’s, auto en treinen passeren over onze hoofden. We liggen onder de ringweg.

En zo lig ik tijdens mijn eerste nacht als dakloze lepeltje lepeltje met een verslaafde junk
We drinken ons bier op. Gert is in zijn element. Hij is blij dat hij een partner heeft gevonden en praat over de dingen die we samen kunnen doen.

Stiekem stippelt hij een toekomst uit. “Misschien kunnen we een tent kopen. Dan komen we de winter wel door.” Gert is ook van plan om mij Groningen een beetje te laten zien. “Waar de slaaphuizen zijn enzo. Wil je anders naar Open Hof?

Methadon

Daar kunnen we wat eten en koffie drinken.” Gert legt uit hoe het systeem werkt. Zo moet je eigenlijk – om in een slaaphuis terecht te kunnen – ingeschreven staan. “Of je moet tot betaaldag nog een paar centen hebben om contant af te rekenen.”

Gert pakt een zakje uit zijn binnenzak en haalt daar pillen uit. “Methadon”, zegt hij nors. En hij neemt een paar. “Daar word ik warm van.” Vanaf dat moment is hij helemaal stil. Ik ook. Als de duisternis flink is ingevallen krijg ik het toch wel koud.

Niet alleen ben ik het niet gewend, maar het weer is erg guur. Het sneeuwt nog steeds. Gert maalt er niet om. Hij wil slapen. “Lekker tegen elkaar aan liggen. Dat is warmer.”

Lepeltje lepeltje met een junk

En zo lig ik tijdens mijn eerste nacht als dakloze lepeltje lepeltje met een verslaafde zwerver onder een paar vieze dekens onder een viaduct. Slapen lukt niet en na een tijd zeg ik tegen Gert dat ik een stuk wil lopen.

Dat is ook nodig. Ik heb bijna geen gevoel meer in mijn tenen. Gert gromt wat, maar zegt verder niet zo veel. Ik besluit langs het spoor te lopen. Na een uur ben ik weer warm en loop ik terug naar Gerts plek.

Hij heeft inmiddels de hele slaapplaats ingenomen. Als ik probeer er bij te kruipen, drukt hij me half weg. Na een poosje besluit ik maar weg te gaan. Gert is aardig, maar door zijn drugsgebruik ook grillig. Die zie ik later wel weer, bedenk ik me.

Opwarmen in stationshal

Nog dezelfde nacht ontmoet ik zwerver Eef in de Westerhaven. Hij vraagt me om vloei en ik verbaas me erover hoe snel zwervers elkaar treffen. Eef – dun, met een snorretje en petje – begint vrolijk te vertellen terwijl we schuilen voor de sneeuw.

Hij heeft net drie maanden in de gevangenis gezeten. “Ter Apel. Daar komen de meeste zwervers uit Groningen te zitten.” Zijn broer zit er nog. Eef slaapt af en toe bij z’n zus in Hoogeveen, maar moet deze week in de stad zijn.

“Om mijn uitkering te regelen. Anders denken ze nog dat ik hier niet woon.” Vroeg in de ochtend loop ik koud naar het station. Het is ongeveer zes uur en slapen lukt niet meer. Ik ben stijf van het buiten liggen en hoop me te kunnen warmen in de stationshal.

Bas van Sluis zwerver 2

Eef wil wel eens cocaïne gebruiken

Daar tref ik Eef weer. Hij is nog een beetje dronken: zijn ogen staan half open en hij heeft een wit weggetrokken gezicht. Slapen heeft hij niet gedaan. Veel te koud.

Hij is net van de bruin (heroïne) af, vertelt hij. Hij rookte het altijd. “Methadon gebruik ik ook niet meer. Het sloopt mijn lichaam.” Van tijd tot tijd wil Eef nog wel eens cocaïne gebruiken. “Jij bent nog nieuw. Blijf maar van die rommel af.”

Ik knik. Zo zitten we twee uurtjes in de hal van het station. Eef lacht steeds zachtjes als mensen buiten bijna door de gladheid vallen. Hij stelt voor dat we een slaapplaats gaan regelen in het Ahuis.
Het slaaphuis voor daklozen in Groningen.

“Ik trap die deur in”

Eenmaal aangekomen komen net de eerste zwervers naar buiten. Eef belt aan en als de deur opengaat zegt een kleine vrouw met brilletje dat we niet kunnen reserveren. We moeten maar bellen. Eef sputtert tegen, maar ze blijft onverbiddelijk.

Bellen of vanavond gewoon weer buiten slapen. Als Eef vertelt dat ik nieuw ben en helemaal niks ken in deze stad doet ze de deur gewoon dicht. We blijven verbaasd achter. “Focking niet normaal. Ik trap die deur in”, schreeuwt hij.

We besluiten dat maar niet te doen en gaan op zoek naar een telefooncel. Onderweg komen we langs een bakker op de Vismarkt. In het open raam staat appeltaart. Eef vraagt of we een stukje mogen pakken. Dat mag. Ik pak een; Eef twee. Ons ontbijt.

Die gast is miljonair, maar zwerft toch op straat

In de telefooncel blijkt geen geld te kunnen. Eef pakt zijn mes en begint als een bezetene in het muntgat te wrikken. Geen resultaat. Gelukkig staat Jaap verderop. Hij heeft lange grijze haren, maar ziet er verder netjes uit. Jaap – “die gast is miljonair, maar zwerft toch op straat”, aldus Eef – heeft een telefoonkaart.

We mogen allemaal op zijn kosten naar het slaaphuis bellen. Ik word op de lijst gezet, zegt de man aan de andere kant van de lijn. Een slaapplaats is geregeld hoewel ik nog wel bang ben dat ik word ontmaskerd bij de deur. Maar dat is van later zorg.

Na het telefoontje gaan we naar de bibliotheek. Volgens Eef is het dé plek om warm te worden. “Met zulk weer zit het hele slaaphuis altijd daar. Vinden ze geen probleem bij de bieb.” Na het opwarmen, wil Eef naar de dagopvang van het Leger des Heils: De Kostersgang.

Bas van Sluis zwerver 10

Koffie voor 15 cent

Dat zit naast het politiebureau. Ik vind het best. Ik weet helemaal niks van deze schimmige wereld en laat me graag aan het handje nemen door een ’ervaren rot’.

De ontvangstruimte van de De Kostersgang lijkt een beetje op een kleine aula. Eigenlijk moet je een pasje hebben om binnen te komen, maar Eef loodst me naar binnen. Zelf moeten alle zwervers het pasje tegen een raam houden en een scanner schrijft ze in.

Ik maak een afspraak voor zo’n pasje, maar mag deze keer naar binnen. Er staan een voetbalspel en een computer. Thee is er gratis en koffie kost 15 cent. Eef haalt een kop thee voor mij en we nemen plaats aan een tafel.

“Je moet oppassen jongen”

Daar zit ook een vrouw haar soep naar binnen te slurpen. Ze heeft kennelijk ruzie gehad met iemand en moet haar ei kwijt. Bij zwerver Eef dus. De gesprekken in de dagopvang gaan vooral over het slechte weer en de gevangenis in Ter Apel. Allemaal hebben ze hem wel eens van binnen gezien.

De vrouw vertelt dat ze afgelopen nacht ook geen slaapplek had. “Je moet oppassen jongen”, zegt ze tegen mij. “Niet te veel buiten zijn, want het is echt te koud momenteel.” Zelf heeft ze de afgelopen nacht in de trein gezeten om de warmte van een coupe op te zoeken.

Eerst naar Zwolle vanaf Groningen en toen weer terug naar Assen. Daar bleef ze en ‘s ochtends ging ze weer naar Groningen. “Ik heb zo veel boetes voor zwartrijden. Wel duizend euro. Nou, laat ze me maar oppakken. Dan zit ik tenminste weer lekker warm in een cel met een televisie. Het is niet altijd fijn, maar wel warm. Dat is nu het belangrijkste.”

Bedelen is verschrikkelijk

Ik knik begripvol. Want ik loop nog maar twee dagen op straat, maar begin al aardig neerslachtig te worden van het weer. Ik moet geld hebben. Voor eten en voor een slaapplaats. Bedelen is nog steeds een verschrikkelijke hobbel. Maar als je het niet doet, slaap je op straat.

En dat is nog veel erger. Maar geld vragen gaat me niet goed af. Twee uurtjes mensen aanspreken levert me 50 cent op. In een supermarkt scharrel ik een stuk karton op en schrijf er in hoofdletters ’DAKLOOS’ op.

In eerste instantie helpt het niet veel. Aan de achterkant van het station kijken mensen wel naar het bordje, maar daar houdt het mee op. Maar na twintig minuten in de ijskou te staan, maak ik een fantastisch en hartverwarmend moment mee.

Hartverwarmend moment

Een jong echtpaar komt aangewandeld. Keurige mensen. De vrouw is sjiek gekleed met een mooi grijs petje. Ook de man ziet er zeer netjes uit. Net zoals de rest passeren ze mij, maar de vrouw kruist mijn blik. In mijn ooghoeken zie ik dat de vrouw iets tegen haar man zegt. Ze lopen de trap op en plots hoor ik achter mij: “Zeg, heb je vandaag al wat gegeten?”

Het is dan ongeveer drie uur in de middag. “Nee”, stamel ik voorzichtig. De man vervolgt zelfverzekerd: “Hmm… Ik geef eigenlijk nooit geld aan zwervers. Beetje principe. Maar wil je wat eten?” “Ja, graag”, stamel ik nog steeds een beetje in de war. Ik verwacht een zakje met meegenomen broodjes. Maar krijg meer.

Terwijl we over het perron lopen geeft de man mij zijn visitekaartje. “Daar wonen we. Als je vanavond of deze week geen slaapplaats kan krijgen, moet je hier naar toe gaan. Dan regelen we bij ons thuis een plek voor je.”

Ik ben volledig van de kaart. Zoiets had ik in de verste verte niet durven dromen. Gedrieën gaan we in de restauratie zitten en we praten wat. Ze willen weten hoe het zo ver met mij kon komen. Ik voel me erg ongemakkelijk omdat zij mij verwelkomen met een hartelijkheid die ik nog niet eerder kreeg en ik moet om de hele boel heen draaien.

Bas van Sluis zwerver 5

Goulashsoep en drie stukjes brood

Het lukt en ik bestel een goulashsoep van drie euro. De man dringt aan om vooral meer te nemen, maar ik bedank vriendelijk. Bij de soep zitten nog drie stokbroodjes die ik mijn blauwe tas druk. Voor later. De vrouw ziet het, maar glimlacht zachtjes.

Ze zegt dat het wel een dilemma is voor mensen om zwervers te helpen. “Elke keer is het weer die strijd. Zou ik wel… Het is moeilijk, want je wilt de eigenwaarde van zwervers niet aantasten”, vertelt ze.

Ik ken het gevoel en zeg dat ze mijn dag hebben gemaakt. Dat ze niet meer konden doen, dan wat ze doen. De vrouw bloost zelf ook wat. Als we uit elkaar gaan, geef ik het echtpaar een hand. De man drukt me daarbij tien euro in de hand.

Terwijl we uit elkaar lopen, krijg ik een enorm warm gevoel. En dat duurt wel twee uur lang. Dan wint toch wel weer de snijdende kou en de sneeuw die maar eindeloos blijft vallen. Ik eet mijn drie stokbroodjes maar op en ga weer lopen om warm te worden.

“Ze wilden me doodmaken”

Bij de brug bij café De Toeter ga ik weer staan met mijn bordje. Maar het schemert en het winkelend publiek heeft de handen vol aan cadeaus voor Sinterklaas en Kerstmis, vermoed ik. Want er is geen hand die nog wat geld in mijn koude vingers drukt.

Tijd om richting het slaaphuis te gaan. Ik bel via de intercom aan. “Je kunt al naar binnen hoor. Wacht maar in de hal.” In het kleine halletje staan al dertien soortgenoten te wachten op een warm bed. Een van de mannen staat helemaal lijp tegen de deur aan.

Een andere zwerver is stomdronken en valt om de haverklap tegen een vrouw. Een wat oudere man vertelt wat er de nacht er voor allemaal is gebeurd. Net zoals Eef heeft hij het over messen die zijn getrokken. “Jongen. Echt waar. Ze wilden me doodmaken hier. Hij zou terugkomen. Dus vanavond word ik doodgestoken.”

“Jij bent ook al zo verkleumd

Niemand reageert. Een andere jongen komt binnen en trekt direct bij binnenkomst een zakje wit spul uit zijn jas. Hij laat het aan twee anderen zien die instemmend knikken. Als de deur naar het slaaphuis om tien uur opengaat, schuifelen we in een rij naar binnen.

Ik sta tamelijk achteraan en geef een van de jongens – door de anderen Koffie (naar Kofi Annan) genoemd – 20 cent. Zodat hij ook binnen kan slapen. Hij dankt me vriendelijk.

Als ik aan de beurt ben, geef ik mijn naam door aan de mevrouw aan de andere kant van de balie. “Och arme”, zegt ze als ze naar mijn vingers kijkt die roodblauw zijn door de kou. “Jij bent ook al zo verkleumd.

Kom maar gauw binnen. Je bent nieuw toch?” Ik knik en murmel wat. “Je ziet er moe uit. Zullen we morgenvroeg anders een intakegesprek houden?” Ik zeg dat ik inderdaad graag wil slapen. De aardige mevrouw geeft me een beker voor koffie en een witte plastic tas waar een kussensloop en lakens inzitten.

Bas van Sluis zwerver 4

“Gebruik je?

“Kamer 1.12. Dat is op de eerste verdieping en je deelt hem met Henk. Als die vanavond komt tenminste.”
In mijn slaapkamer staan twee bedden met groene wollen dekens er op. Brandgaten sieren de dekens. Dat hier gerookt wordt, is wel duidelijk. Ik maak mijn bed op en staar wat naar buiten.

Ik loop na tien minuten even naar het toilet en als ik weer terug ben op mijn kamer, zit er een andere man op het bed. Hij heeft een lange zwarte staart, een smal gezicht, een leren jas en een blauwe sjaal van het Groninger archief. Hij geeft me een hand: “Moi, Henk.”

Henk heeft duidelijk honger, want zijn hele bord ligt vol met tosti’s. Henk is een aardige vent. Alleen hij praat veel. Tien minuten later weet ik al van de hoed en de rand. Hij is al dertien jaar dakloos.

De aimabele dakloze haalt een soort rode brillenkoker uit zijn jas en stalt de inhoud op zijn bed. Ik zie een pijpje, wasknijper, wat papiertjes, aluminiumfolie en een klein zakje. “Gebruik je”, vraagt hij. Ik ontken.

“Je redt het niet zonder bruin of wit”

“Heel goed jongen. Begin er nooit aan. Voor mij is het al te laat. Wat dat betreft moet je snel uit deze wereld jongen. Want ik zie niet in hoe je als zwerver overleeft zonder dope. Echt, met dit weer jongen. Ik zweer je.

Je redt het niet zonder bruin of wit.” Als ik heb gebruikt, voel ik niks van de kou. Dan maakt het me niks uit, weet je. Maar jij, jongen. Jij gebruikt niet. Jij voelt die kou extra hard.” Henk is los. Hij vertelt honderduit over zijn drugsgebruik terwijl hij wat heroïne op de folie legt.

Even later rookt hij wat cocaïne en laat hij een strip methadon zien. “Dat gebruik ik niet, maar verkoop ik door. Dat doen we allemaal.”

Naarmate Henk gebruikt wordt hij ook een beetje wispelturiger. “Je blijft met je fikken van mijn spullen af, oké? Dan is er geen probleem.” Ik antwoord maar steeds dat hij van mijn spullen moet afblijven en rustig moet blijven.

Henk: “Dan begrijpen we elkaar. Er valt toch niet zo veel te jatten, haha. We doen vanavond de deur op slot. Die andere idioten zijn niet te vertrouwen.”

“Af en toe een fiets verkopen”

Als ik even later vraag hoe veel het eigenlijk kost, die verslaving van hem komt hij al snel met honderd euro per dag op de proppen. “Ik heb natuurlijk een uitkering. Af en toe een fiets verkopen.”

Hoewel dat laatste moeilijker wordt, zegt hij. “Studenten zijn steeds meer op hun hoede. De politie pakt ook de studenten nu aan en geeft ze dikke boetes voor heling.”

Als we gaan slapen doet Henk het licht uit. De vieze oranje gordijnen verduisteren de kamer niet echt. Maar ik vind het allang goed. Af en toe knipt hij het licht aan en ik merk dat ikzelf op mijn qui vive ben.

Met mijn ogen half open zie ik dat Henk de hele tijd heen en weer wiegt met zijn lichaam. De effecten van de drugs. Slapen in zijn bed doet hij niet. Hij zit op de rand en af en toe valt zijn hoofd naar beneden. Zittend slapen.

Halve liters bier als ontbijt

Omdat het zondag is, mogen we een uur later uit het slaaphuis: 11 uur. Onze ’wake-up-call’ bestaat uit wat gebonk op de deur. Henk gromt wat en draait zich om. Ik trek mijn kleren aan en ga naar de wastafel om me een beetje op te frissen. Onze buren zitten aan de halve liters bier.

De bewoner daarnaast is zijn lakens keurig netjes aan het opvouwen. De resten drugs liggen op de grond.
Beneden draai ik een shaggie en kom ik Eef weer tegen. Die is gepikeerd dat ik de vorige dag er zo maar vandoor ben gegaan.

Als ik hem het goulashverhaal vertel, wordt hij zelfs boos. Daar had hij graag bij willen zijn. Ik geloof het wel en loop naar de tv-tafel. Daar zitten twee jongens TMF te kijken. Schaars geklede meisjes met slipjes op hun hoofd. De mannen lachen wat om het gekke tafereel.

Hoe lang ik al zwerver ben?

Ik lach mee terwijl Eef aan de anderen vertelt hoe zwaar het hem valt om na een paar maanden in de cel te zitten, nu weer buiten te slapen. “Dat kan mijn lichaam niet aan. Geef me een week en ik kan overal weer buiten slapen in Groningen. Maar nu niet, joh.”

Iedereen is het er mee eens als Eef zegt dat de mensen van het slaaphuis hem op deze manier verder de goot intrappen. Niemand die de schuld bij Eef legt.

Tien minuten later komt de mevrouw van de nacht daarvoor vragen of we even een intakegesprek kunnen houden. Met koffie, brood en mijn tas gaan we in een apart hokje zitten. Ze stelt wat vragen over hoe lang ik al zwerver ben en wat de redenen zijn.

Hotel voor verschoppelingen

Ze is heel lief en begripvol en ik voel me zeer welkom. Wat doen deze mensen toch een fantastisch werk, denk ik bij mezelf. De vrouw legt me de huisregels uit. “Laten we duidelijk zijn. Je houdt de kamer schoon en netjes. We zijn hier geen hotel.”

Ik knik instemmend, maar vind het zelf toch wel een soort van hotel voor verschoppelingen. “En roken op de kamer mag niet.” Ik denk aan Henk en zijn drugs. “Maar iedereen doet het toch”, zegt ze er direct achteraan. “Maar als het brandalarm afgaat, mag je een week het huis niet meer in.” Duidelijk.

Ze vertelt dat vanaf 15 december de winterregeling ingaat. “Dan kunnen we meer mensen opvangen. Zo’n vijftig. Of als het vijf graden vriest.” Wat mij betreft voeren ze die winterregeling direct in. Ik loop na het gesprek naar buiten.

Bier tegen de kou

Het is wat warmer dan gisteren, maar toch snijdt de kou nog aardig door het gezicht. Ik neem me voor om vandaag maar eens langs de kerk te gaan. En wat bier te kopen. Voor de avond. Dan val ik misschien wat makkelijker in slaap en denk ik niet zo veel aan de kou.

Ik weet dat op zondag de supermarkt bij de Euroborg altijd open is en besluit om daar wat drinken te halen. Het is een drukte van jewelste. Maar ik val kennelijk wel op, want ik heb het idee dat iedereen kijkt. Ik koop een grote fles cola (31 cent) en vier flesjes bier (1,64 euro).

Dan is het geld zo goed als op. Dus moet ik – wil ik vanavond nog wat eten – wel weer even in de baan. Ik besluit, gezien de drukte, om buiten de supermarkt te gaan staan met mijn ‘dakloos’-kartonnetje.

Het sneeuwt inmiddels hevig en de duisternis zet ook weer in. Mijn smeekbede op karton helpt niets. Het zal wel: die barmhartigheid vlak voor kerst. Ik merk er weinig van. Dan maar terug naar het centrum.

Bas van Sluis zwerver 6

Goede slaapplaatsen zijn schaars

De kou is niet te harden. Ik voel mijn vingers bijna niet meer en ze worden alsmaar roder. Dat gaat nog wat worden als ik vanavond ergens op een bankje moet gaan liggen. Want goede slaapplaatsen blijken toch wel schaars. En als groentje op het zwerversvlak heb ik nog geen goede neus voor de fijnere warme plekjes.

Ik loop langs het Rabobankgebouw en heb het op dat moment helemaal gehad. Het vieze natte weer demotiveert en ik heb ook geen eten meer. Waar moet ik heen? Ik weet het echt niet meer en ga in een bushokje zitten.

Ik trek alle dekens over mij heen en probeer zittend in slaap te vallen. Meer dan dommelen wordt het niet. Langsrijdende (en soms toeterende) automobilisten maken een kans op slapen zeer klein. Ik ga maar weer lopen. Misschien moet ik vannacht gewoon wakker blijven.

Een gelukje

Vlakbij de Trompbrug heb ik een gelukje. Buiten staat een oud bankstel met twee kussens. De spullen liggen onder de sneeuw en een van de kussens is opengescheurd. Ik klop ze af, scheur ze van de bank en neem ze mee.

Dat ze nat zijn, maakt niks uit. Een beetje gelukkiger besluit ik naar een park te gaan waar ik eerder die middag al langsliep. Ik schuif de sneeuw van een bankje. Niet slim. Mijn handen zijn gelijk steenkoud.

Ik besluit om eerst maar even mijn handen te warmen door ze in mijn broekzakken te doen. Daar word ik weer geconfronteerd met het gebrek aan geld. Dat is voor morgen een verdere zorg. Ik leg de door mij gefabriceerde matrassen op de bank; net zoals de vuilniszakken en de twee lakens.

Het is stervenskoud

Daar ga ik onder liggen en wonderwel: het bevalt uitstekend. En zo val ik in redelijke warmte in slaap.
Enkele uren later schrik ik wakker. Een laagje sneeuw ligt op de dekens en op mijn muts. Het is stervenskoud.

Ik heb geen flauw idee hoe laat het is, maar sta op om een stukje te lopen. Dat helpt een klein beetje, maar ik neem me nu al voor dat ik hier vannacht niet weer ga slapen.

Ik wil het wel eens wagen bij het station. De gok op 60 euro boete van de spoorwegpolitie wil ik wel wagen met deze temperaturen. Zo loop ik een uurtje door het park om toch terug te gaan naar het bankje. Liggen lukt wel, slapen niet. Het is een hel om dakloos te zijn. Een HEL.

“Gaat het wel goed met je?”

Maandagochtend. Ik loop van het UMCG richting Westerhaven. Ik passeer de gebruikersruimte bij de Westerhaven. Het zonnetje straalt heerlijk dus ik ga honderd meter verderop tegen de muur zitten. Kijken of ik wat slaap kan inhalen. Het lukt niet echt, maar de zon op de huid maakt veel goed.

Tientallen mensen passeren zonder mij ook maar een blik waardig te gunnen. Dan komt er een man – grijszwarte krullen, baardje en ook in spijkerkleding – naar mij toe. “Gaat het wel goed met je? Jij bent dakloos en dit heb ik ook twee jaar meegemaakt. Dat is niet tof. Zeker niet met dat slechte weer ’s nachts.”

“Ik weet het”, antwoord ik. Hij blijkt inmiddels van de drugs af te zijn en een huisje te huren. Het kan dus wel: er uit stappen. Maar hij heeft het moeilijk. Niet met de drugs, maar met de alcohol.

Twee flessen whisky opgedronken

Daarom staat hij bij de gebruikersruimte. “Het is weer fout gegaan. Ik heb twee flessen whisky opgedronken. Dan drink ik een glaasje, maar dan hoor ik gewoon. Die fles moet leeg. Die fles moet leeg.”

Ik denk: ik ga toch maar even vragen of het wel goed gaat. Want de mensen hier zien je niet staan. Die denken alleen maar: het is toch zijn eigen schuld. Zo denken ze over ons. Je ziet het ook aan ze.” Ik weet precies wat hij bedoelt. “Maar je moet hier niet gaan zitten hoor. Want de politie pakt je zo op.

”Geen flauw idee hoe laat het is en om eerlijk te zijn interesseert het me ook niks. Het is warmer dan de dagen er voor. Althans, zo voelt het. Want de strooiauto’s rijden – net als gisteren – gewoon door de straten. En ik voel mijn voeten af en toe weg glibberen.

Kwaliteitsbier

Ik loop naar de straat waar ik mijn matrassen (lees bankkussens) heb gestald. In een grote vuilcontainer. Ze liggen er nog en zijn redelijk droog. Wel zijn ze hard bevroren. Na mijn bedje te hebben klaargemaakt, klik ik nog maar een fles bier open.

Kwaliteitsbier deze keer. Ik heb weer wat centjes bij elkaar gebedeld en ik wil mezelf ook wel eens trakteren. Het heeft niet het gewenste resultaat.

Een rilling loopt over de rug en ik besluit – vier sigaretten later – om maar onder de wol te gaan. Er van uitgaande dat ik vannacht beter slaap dan gisteren. Dat valt tegen. Ik slaap snel, maar word ’s nachts wakker met enorm koude stijve benen. Het regent en de boom waar ik onder lig, houdt niet genoeg tegen.

Mijn kleed is nat en koud en dat trekt door richting mijn lichaam. Ik ga van het bankje af en word niet meer warm. De kou is ongekend en onmenselijk. Ik weet niet wat ik moet doen en weet niet waar ik naar toe moet gaan. Toch maar weer onder de dekens, maar vijf minuten later stop ik alles in mijn tas.

Ik stop ermee

De matrassen laat ik liggen. Lopen maar weer. Doelloos lopen. Het is goed geweest. Ik stop er mee. Dit kan zo echt niet langer.

Steeds weer herhaalt dat zinnetje van Henk zich door mijn hoofd: ’jongen, zonder drugs red je het niet met dit weer’. Ik begin er steeds meer in te geloven. Niet dat ik drugs ga gebruiken, maar ik heb mijn breekpunt wel bereikt.

De volgende ochtend voel ik me al wel een stuk beter. Het is redelijk warm en ik blijf zo een tijdje in de zon staan. Mijn huid voelt anders. Alsof er een laagje op zit. En ik ruik mezelf niet meer. Anderen ongetwijfeld wel.

Wel heb ik ontzettend veel jeuk aan mijn benen en op mijn hoofd. ’s Middags heb ik een afspraak bij het Leger des Heils. Haal een gratis kop koffie bij de ene supermarkt en koop een kaascroissantje en drie flesjes Pitt-bier voor 1,85 bij de ander.

Daar is het namelijk goedkoper. Iets voor tweeën bel ik aan bij het pand van het Leger des Heils: de Kostersgang. Een mevrouw laat me binnen en ik stamel dat ik een afspraak heb. “Ja, om half drie”, zegt het aardige meisje achter het loket. “Ga maar alvast naar binnen. Pak maar een kop thee of zo. We roepen je wel als je aan de beurt bent.”

Tosti voor 30 cent

Als ik de kamer binnenkom lopen, is het aanzienlijk drukker dan de eerste keer. Ik zie Eef en klop hem op zijn schouders. Hij is lang niet zo spraakzaam dus ik ga maar aan een andere tafel zitten.
We kijken met z’n allen naar het nieuws.

Ik besluit een tosti te kopen voor 30 cent. De inwendige mens kan sowieso worden verzorgd in de dagopvang. Voor twee euro een warme hap (tagliatelli bolognese, kip met saté, kip met kerrie, kip met zoetzuur saus) en ook koffie, thee en frisdrank.

Iedereen kan 15 minuten gratis douchen, maar dan moet je je wel aanmelden. Ook een scheermesje (10 cent) en scheerschuim (15 cent) zijn er te koop.

Bas van Sluis zwerver 8

Pasnummer 1670226

Even verderop zit een jongen een boek te lezen. De praat van de straat gaat een tafeltje verderop over uitkeringen en hoe mensen reageren op zwervers. Een uur later begint mijn intakegesprek. Ik moet samen met een vrouw in een hokje en een uur lang vraagt ze me van alles.

Ook over bezinning en de zin van het leven. Of ik in God geloof. De vrouw is heel erg begaan. Geregeld denk ik hoe fantastisch deze hulpverleners zijn dat ze hun tijd en energie steken in het zwerversdeel van Groningen.

Na afloop moet ik wat ondertekenen en de vrouw maakt kopieën van mijn rijbewijs en vraagt of ik het pasje direct wil hebben. Dat wil ik. “Dan maak ik een foto.” Ik word tegen de muur gezet en een half uur later – tegen sluitingstijd vijf uur – krijg ik mijn klantenpas voor de Kostersgang. 1670226 is mijn nummer. Ik sta officieel geregistreerd als dakloze.

Moed zakt in de schoenen

Na afloop van mijn gesprek wacht ik nog even aan de tafel totdat mijn pasje klaar is. Een man in legerjas, grote muts op zijn hoofd en een sigaar in zijn mond haalt een kerriesoep op. Hij geeft de soep aan een slecht uitziende jongen.

Zijn ogen staan diep in zijn schedel en hij praat niet al te veel. Zijn verhaal horende kan hij maar geen warme slaapplaats krijgen en ligt hij al weken achtereen buiten. Weken. Hoe houdt hij het vol. De man met legerjas geeft hem goede slaaptips. “Je moet gaan slapen waar de bouwvakkers werken. Als je weggaat wel alles netjes achterlaten. Maar daar lig je droog en beschermd.”

Als je wel gepakt wordt, is dat geen probleem volgens hem. “Na een uur sta je weer buiten het politiebureau. En wel wat warmer. Maar meestal schoppen ze je gewoon van die plek af.” De jongen knikt. Hij is dankbaar. Dat is wel duidelijk.

Buiten is de moed me aardig in de schoenen gezonken. Het lege gevoel achtervolgt me nu al drie dagen. Het weer en de reacties op de straat maken het er niet beter op. In de centrale hal van het station kom ik zwerver Matthias tegen. Het is een kleine man, met ingevallen wangen. We praten wat over kapotte telefooncellen. “Die in het ziekenhuis doet het altijd”, weet hij.

De agent wil mij aanspreken

Een dronkenlap – ook dakloos – staat met nog een zwerver tegen een politieagent te ouwehoeren. De agent kent de jongens goed, lijkt het. Als iemand hem de weg vraagt, draait hij zich even om. De dronkenlap gooit iets op de grond. De agent maakt daar korte metten mee.

“Marcel, nu direct oppakken en opruimen. Dit doen we dus niet.” Marcel gehoorzaamt. Ik zie dat de agent mij in het vizier heeft om ook even een sociaal praatje te houden, maar voordat hij de kans krijgt, ben ik weg. Geen zin in. Zoals in zo veel dingen.

Ik slaap die nacht onder een overkapping. De grond bestaat uit koude harde tegels. Ik leg de dekens op de grond en ga daar op liggen. Koud, koud, koud, koud. Geregeld komen er politieauto’s voorbij. Geen een stopt. ’s Nachts word ik weer wakker en pak ik mijn spullen maar. Het is over. Ik ben gebroken, koud en kapot.

Harde wereld

Ik loop nog wat door de stad tot in de ochtend, maar dan eindigt mijn zwerversverhaal. Wetende dat er nog tientallen mannen en vrouwen in Groningen rondlopen die er niet zo makkelijk kunnen uitstappen. En die geen greintje sympathie krijgen van de buitenwereld.

De verschoppeling van de straat moet maar zelf kijken hoe die er af komt. Het is een harde constatering in een harde wereld.

Meer Bas van Sluis

Lees meer verhalen van Bas van Sluis op zijn eigen blog. Of volg de journalist op Twitter.

Bas van Sluis zwerver 9

Psst, hier meer afleiding: