Opgebrand – column over een burn-out op jonge leeftijd

Opgebrand

Mijn vriend zit al een tijdje op de linkerhoek van de bank. Te denken, te kijken, te schrijven. Het leven dat een dichter ambieert, zou je denken. Maar hij is niet in touw om volmaakte zinnen te scheppen. Hij schaamt zich dat de postbode automatisch zwaait, draait het kussen soms om, zodat het zich niet vormt naar zijn lijf, en weet tegen wil en dank de hele buurt thuis te brengen – ja, letterlijk.

Als alziend oog van het Van Brakelplein ontdekt hij de gevaren van zijn stukje straat. Een stoeptegel, dat al een tijdje zijn aandacht heeft, laat nu voor de derde keer iemand onderuitglijden. En, geloof me, wanneer je horizon is gereduceerd tot dit vensterraam, is dat erg. Dan kan het honderd keer goed gaan, maar als de overbuurvrouw van haar al aangepaste fiets valt, voel je de morele verantwoordelijkheid door je aderen branden.

Meest onderschatte ziekte ooit

Op de site van de gemeente vindt hij wat hij zoekt. Een meldingsknopje voor gebreken in je buurt. Hij klikt, gewoon vanaf de linkerhoek van de bank. En nog geen twee dagen later verschijnt er een oranje hesje met een rugzak vol zand. Ik kijk naar mijn vriend, en we lachen om zijn oprechte voldoening. Niet die van het oranje hesje – die voert slechts zijn opdracht uit – maar om het onvervalst prestigegevoel over een gladgestreken straatsteen.

Ik wist nooit zo goed wat een burn-out was, maar nu weet ik het wel. Het is de meest onderschatte ziekte ooit. Een ziekte waar een houdbaarheidsdatum op zit, want de wereld heeft haast. Gebroken benen krijgen namen op het gips, van iedereen die hoopt dat het heelt. Arme eigenaar van het been, denken we. Daar zit je dan, in de bloedhete zon met je gemummificeerde ledemaat. Zo-iemand durven we makkelijk te troosten. We zijn samen boos op het been. Het is tastbaar, het genezingsproces is bekend. Na zes weken wordt het been bevrijd en kunnen we weer dansen en voetballen.

Het probleem

Maar de geest wordt met eenzelfde ontwikkelingscurve benaderd. “Waar zit hij in het hockeystickmodel?” wordt me gevraagd. Ik ken het niet, maar mijn verbeeldingskracht hoeft niet lang te puzzelen. Ik mompel iets over onderin het bolletje. “Ah! Dan is ie dus weer aan de betere hand”. Ik zucht zachtjes. Zelfs van ons complexe gevoelsleven wordt een tijdsplan gemaakt. Het moet maar snel beter gaan, anders voetballen we zonder jou.

En dit is precies het probleem. Want hoe kunnen we rust nemen in een rusteloze wereld? Een wereld waarin mannen worden verwacht te leven naar de kardinale deugden? Ik moet eerlijk toegeven dat dit beeld van de man ook in mijn charmespectrum overheerst. Moed, doorzettingsvermogen, doelgerichtheid en verantwoordelijkheid. Allemaal eigenschappen waarnaast wij als breekbare, sensitieve vrouwen met een kalm hart in slaap kunnen vallen. We voelen ons vrij om hartstochtelijk te huilen bij onze beer-overtroevende mannen. Maar mannen huilen niet. Maximaal tijdens een begrafenis, met wat ongecontroleerd snot, want ze hebben nooit zo zorgvuldig kunnen oefenen als wij.

En deze man wil mijn vriend nog steeds zijn. Zelfmedelijden is voor mietjes en de wereld wacht op hem. Want hij kon altijd zonder knopje met gemak de oneffenheden in het wegdek laten verdwijnen. Gewoon met zwartzand onder de nagels aan tafel. Maar nu moet hij rust nemen. De wereld op z’n hoogst sturen vanuit die linkerhoek. En heel veel sterke mensen met hem. Die grote bedrijven runnen, die onuitputbaar lijken. Waarvan we het niet verwachtten. Die vroeger “zelf doen” zeiden als ze de trap opklauterden met een veel te grote teddybeer. Die probleemloos met een zijspan over de Kaukasus crossen. Die zwakte bij iedereen verdragen, behalve bij zichzelf. Die mensen, die moeten ineens rust nemen. Dat is ironisch hè? Rust moeten nemen. Volgens het drogredenboek een contradictio in terminis.

Zelfspot op de A28

Later, ergens op de A28, vlak voor Groningen Stad, naderen we dat vreemde ijzeren gestalte dat iets weg heeft van een elektriciteitsmast met zeven nepvlammen bovenop. Het is al laat, dus de vlammen geven licht. Ik heb altijd gedacht dat het diende als waarschuwing voor vliegtuigen. Mooi vind ik het niet per se. Maar ik heb hem altijd even in het vizier, en denk: Gelukkig, bijna thuis.

Als we het passeren, zien we dat twee vlammen het niet meer doen. Met enige zelfspot pakt mijn vriend zijn telefoon om het defect te melden. Hij zit er net zo lekker in na die opgevulde stoeptegel.

Na twee weken krijgt hij bericht.

“Bedankt voor uw melding, maar er branden bewust niet elke dag zeven vlammen. Het is een kunstwerk. Elke dag komt er een vlam bij, en elke week begint weer opnieuw”. Mijn vriend schatert het uit.

Huilen van liefde

En ik vind het een beetje symbolisch. Niet alles is te maken met een knopje. Dus kijk er nog eens naar, als je Groningen binnenrijdt. En bedenk dat er een heleboel mensen driftig met wat aanmaakblokjes hun vlammetje proberen te ontsteken, omdat ze denken dat de wereld dat van ze vraagt. En als je dat dan ziet, stuur ze dan een kaartje, schrijf je naam eens op hun been. Dan vergeten ze misschien even hun locatie op de hockeystick en huilen ze een keer. Niet van haast en onvermogen, maar – hopelijk – van liefde.

Sanne ten Wolde opa

Door Sanne ten Wolde – Sanne komt uit Stad, is 26 en spaart wereldleiders. Ze mag geen gluten eten, niet dat het er toe doet, maar daar schrijft ze wel eens over. Daarnaast is ze filosoof en reist ze graag. Naar Wit Rusland bijvoorbeeld om een motor met zijspan op te halen of met haar vriend en huisegel met de camper door Europa trekken. Lees hier meer van Sanne. Zelf een goede column in de pen, of een grappige foto of een hilarisch filmpje? Drop het bij Sikkom.

Ga het gesprek aan ( comments)