‘Zie je nou wel’ – Leven in de Outback

Op mijn 15e besloten mijn ouders het knusse Westerwolde voor het kale ‘Hoogelaand’ in te ruilen. ´Als jullie in Drieborg willen wonen, prima. Ik ben weg zodra ik kan!´ beweerde ik al stampvoetend en puberend tegenover mijn scheppers.

Twee jaar later maakte ik de belofte waar en vertrok ik richting Stad, met een tussenstop in Hoogezand. Geen denken aan dat ik nog langer in de polder, in ´the middle of nowhere´ wilde wonen.

En nu zit ik hier in Gregory, een dorp dat nog geen 60 inwoners telt. Next level middle of nowhere, in de outback van Australië. Het dichtstbijzijnde ‘dorp’ is 120 kilometer richting het noorden, de dichtstbijzijnde supermarkt is ruim 300 kilometer richting het zuiden. Zowel de post als medische hulp arriveert hier per vliegtuig. (Inderdaad, word je hier gebeten door een slang dan kun je maar beter heul rap met hoefijzers gaan gooien of klavertjes vier gaan zoeken). Ik zie het voor me dat mijn vader lachend zijn hoofd schudt op zijn stoel aan de keukentafel, in het Hoogelaand, de plek die ik ooit ‘het einde van de wereld’ noemde.

Ik moet toegeven, het was even slikken toen we begin augustus richting onze nieuwe baan reden en Google Maps ons vertelde dat het nog twee kilometer was, terwijl ik niets anders zag dan een kleine metalen toren. Verder niets. Helemaal niets. ‘Waar ben ik in godsnaam beland..’Mijn puberale drama van 13 jaar geleden valt in het niet bij dit.

Maar iets verder dan de toren zagen we een paar huizen en, jawel, een oude pub met een paar motelkamers. In die pub vonden wij 4 vrolijke en warme Engelsen die onze nieuwe collega’s bleken te zijn. Een klein pinnig vrouwtje van 70 jaar dook op vanachter de bar en stelde zich voor als Jo, de eigenaresse van de pub.

Inmiddels zijn we twee maanden verder en voelt de pub als thuis. Ik werk hier bijna 50 uur per week en je zou het niet denken maar ik werk me regelmatig in het zweet. Niet alleen door het weer (35-40 graden), maar ook door de drukte. De pub is de enige openbare plek voor eten, bier en bed in de wijde omtrek en trekt daarmee een breed scala aan gasten aan: dorpsgenoten, mensen van de Aboriginal community naast Gregory, roadworkers, grey nomads (gepensioneerde rondreizende Ozzies), truckers en toeristen op doorreis.

Het zweet wordt beloond met goed eten, prachtige ontmoetingen en af en toe een borrel op kosten van de baas (die zelf ook absoluut niet vies is van een glas wijn. Of een fles. Per dag.) ’s Avonds scharrelen kangoeroes rondom de pub of bij onze kampvuurplek en regelmatig krijgen we bezoek van nieuwsgierige wilde paarden. In de pauzes neem ik soms een verkoelende duik in de prachtige rivier vlak achter de pub, samen met de pubhonden. Het is nog geen dag saai geweest.

Ik kijk er naar uit om weer terug te gaan naar civilisatie. Om mijn beteenslipperde voeten eindelijk weer eens schoon te krijgen, om na een jaar weer naar de kapper te gaan en zelfs om me weer eens in de sportschool te begeven. Maar dat alles kan nog even wachten. Want het is best genieten hier, in de middle of nowhere. ‘Zie je nou wel!? Zo mooi is afgelegen wonen!’ hoor ik mijn vader schateren. Ja pa, ik zie het nou wel.

Door: Deborah Kuil. Na een tijdje sparen heeft ze haar baan en de huur opgezegd om wat meer van de wereld te zien. In haar blogs vertelt ze hier meer over. Heb je zelf de reiskriebels gekregen? Check dan haar tips per land. Lees hier meer van haar blogs. 

Zelf ook aan het reizen, of heb je ons gewoon iets mafs, tofs of bijzonders te vertellen? Drop het op dumpjemeuk@sikkom.nl.

Ga het gesprek aan ( comments)